vrijdag 7 januari 2011

One11, Sevgül Uludağ





Sevgül Uludağ, foto Marcos Gittis

Alleen een graf geeft rust


Bij etnisch geweld op Cyprus verdwenen in de jaren zestig en zeventig meer dan tweeduizend eilandbewoners. Journaliste en activiste Sevgül Uludağ (52) geeft de vermiste Cyprioten een stem.

“Mijn zoon was als kind weleens boos. Hij wilde een normale moeder. Door míjn werk droomde híj over dode mensen, over graven. Maar dat is een offer. Zo is het leven. Er zijn zo veel mensen die offers brengen. Stoppen met dit werk kan ik niet, weggaan uit Cyprus ook niet. Dit is mijn eiland. Er zijn nog te veel mensen die gevonden moeten worden. Ik wil dat nieuwe generaties een normaal leven kunnen leiden, niet vergiftigd door het Cyprus-probleem.

“Tien jaar geleden schreef ik voor het eerst over de vermisten. Het onderwerp was hét taboe van het eiland. Bij het etnische geweld in de jaren zestig en zeventig zijn ruim 1500 Griekse Cyprioten en vijfhonderd Turkse Cyprioten verdwenen. De artikelen werden me niet in dank afgenomen. Ik ben meerdere malen met de dood bedreigd, de daders lopen hier vrij rond.

“Door de verhalen gebeurde er iets, juist doordat ik over de vermisten aan beide kanten schreef. Muren van stilte werden doorbroken. Familieleden realiseerden zich dat verdriet geen nationale kleur heeft. Na de publicatie van mijn boek Oysters with the missing pearls in 2005 is de Internationale Commissie voor Vermiste Personen (ICMP) van de Verenigde Naties – die al in 2001 was opgericht – daadwerkelijk gaan graven. Inmiddels zijn ongeveer 750 stoffelijke overschotten gevonden, 260 mensen zijn geïdentificeerd.

“Dagelijks word ik gebeld. Eindelijk gaan mensen praten. Soms voor het eerst, na dertig of veertig jaar. Ze vertellen over hun vermiste vader, broer of zus. Of over de gruwelen die ze als kind hebben gezien. Sommigen weten ook precies aan te wijzen waar de massagraven liggen. Pas nog was ik in het dorp Minareliköy, waar het ICMP had gegraven zonder iets te vinden. Een man wist echter zeker dat er mensen waren begraven. Hij had als kind gezien hoe een dief het graf blootlegde om de sieraden van de vermoorde Grieks-Cyprioten te stelen. En inderdaad: vlak naast de plaats waar het ICMP had gezocht, zijn de lichamen van acht mensen gevonden.
“Ik schrijf de verhalen van de vermisten op. Wanneer ik tips krijg, spreek ik met getuigen om erachter te komen wat er precies is gebeurd. Wie waren ze, onder welke omstandigheden zijn ze verdwenen? Dat gaat verder dan journalistiek; het is een humanitaire missie geworden. De laatste maanden heb ik de VN-commissie op drie massagraven gewezen. Ook organiseer ik samen met de families van de vermisten bijeenkomsten op het eiland. Dit alles is noodzakelijk voor de toekomst van Cyprus. Zolang we onze vermisten niet begraven, kunnen we niet verder. Zelfs na dertig, veertig jaar blijven families hoop houden. Pas wanneer er een graf is, vinden ze rust.

“Mijn eigen leven is door dit werk drastisch veranderd. De verhalen dringen zich op en houden me wakker. Ik werk twaalf tot dertien uur per dag. Slapen doe ik al jaren slecht. Ik sta vaak om vijf uur op en ga dan schrijven. Religieus ben ik niet, maar ik probeer dicht bij de natuur te staan, zo kan ik omgaan met al het leed. Ik heb een grote tuin vol met bomen en bloemen, die geven me kracht. Verder kijk ik graag naar de sterren, ook daar put ik kracht uit. Maar de verhalen over al die gruwelijkheden wennen nooit.”

“Veel mensen hebben de hoop op een herenigd Cyprus verloren, omdat we al zolang gescheiden leven [sinds 1974, red.]. De onderhandelingen lopen keer op keer vast. Veel is afhankelijk van de internationale gemeenschap. Maar niet alleen politieke beslissingen zijn belangrijk, de relaties tussen de twee gemeenschappen zijn dat ook.

“Het nationalisme op het eiland laait echter weer op. Pas nog was ik samen met Grieks- en Turks-Cypriotische familieleden van vermisten op een middelbare school aan de Griekse kant van het eiland. We zouden twee lezingen geven. Een ervan werd afgelast omdat de leerkrachten tegen ons waren. Bij de andere lezing stonden leerlingen van een jaar of twaalf buiten te roepen: ‘Een goede Turk, is een dode Turk.'

"Dat doet pijn, maar sterkt me ook in mijn werk. Ik blijf hoop houden, ook al heb ik niet de illusie dat ik in mijn eentje het Cyprusprobleem kan oplossen. Maar was ik niet over de vermisten gaan schrijven, dan was het trauma voor velen alleen maar groter geworden, daarvan ben ik overtuigd. Het enige wat ik kan doen – en dat geldt voor veel activisten overal ter wereld –, is erger voorkomen. Niet meer en niet minder."

1 opmerking:

  1. Yolanda Bobeldijk13 januari 2011 om 12:31

    Wat een mooi interview! Het geeft ook echt een goed beeld van de historie van Cyprus. Ik realiseerde me helemaal niet dat dit nog steeds speelt! Anyway, erg leuk om de artikelen op One11 van GPD-collega's te lezen! :)

    BeantwoordenVerwijderen